|
Rom ontmoette Yldich toen hij bijna twintig jaar oud was. Hij was
een slanke jonge man, met haar dat de kleur van kraaienveren had, en
ogen die bijna even donker waren. Zijn temperament had wel wat weg van
een ondergrondse bosbrand. Zijn woede kon lang smeulen en hem van
binnenuit verteren zonder dat iemand het merkte, maar een welgemikte
vonk en voldoende brandstof konden deze laten ontvlammen en laten
oplaaien als een vreugdevuur.
Op een leeftijd waarop de meeste jonge mannen
al geworteld waren en hun aandacht besteedden aan hun velden en hun
hoeves, terwijl hun jonge echtgenoten hun baby’s opvoedden, reisde Rom
alleen door het land, en verkocht goederen. In de lente reisde hij naar het
verre Noordoosten, en verkocht kostbare verfstoffen, specerijen,
borduurzijde, zilveren naalden, knopen van parelmoer, zeezout,
brandewijn, en andere zaken die zeldzaam waren bij de mensen in het
Noorden. In de herfst reisde hij terug naar het Zuiden, naar de oude
hoeve, om weer nieuwe goederen af te nemen van de lokale boerderijen om
de volgende lente te verkopen.
Toen de mensen van het dorp zeiden dat Rom maar
eens op de hoeve moest blijven en trouwen als iedere respectabele
jongeman van zijn leeftijd, negeerde hij hen. Toen de mensen zeiden dat
hij een rare was, altijd al geweest, en dat er nooit iets goeds van hem
zou komen, negeerde hij dat ook. Toen een reizende landknecht die op een
avond nogal veel van het sterke plaatselijke bier had gedronken in de
herberg naar hem verwees als ‘die duistere Tzanatzi in de hoek
daar,’ negeerde hij het niet, en de man eindigde met een gebroken neus
en een tand uit zijn mond. Rom eindigde in de dorpscel. Er waren twee
stadswachters en een vertoornde herbergier voor nodig geweest om hem
eronder te krijgen.
Toen de alcohol en de gevolgen van een grondig
pak slaag waren uitgewerkt en hij weer bij bewustzijn was gekomen, kwam
hij erachter dat hij zich in een nogal ongemakkelijke positie bevond.
Niet alleen vroegen verschillende kwetsuren pijnlijk om zijn aandacht,
maar hij moest ook de middelen zien te vinden om zowel de boete te
betalen voor het vechten in een openbare gelegenheid, als voor de
meubels en andere spullen waarvan de herbergier beweerde dat ze
beschadigd waren tijdens het gevecht. De lijst omvatte onder meer drie
stoelen, een tafel, tien flessen wijn, twee flessen brandewijn, een vat
bier, de tuniek van de landknecht en een assortiment andere zaken
waarvan Rom zich niet kon herinneren dat hij ze had gebroken. Maar hij
was dan ook aardig dronken geweest.
Afgezien
daarvan, zou hij zich tot het Hof moeten wenden als hij de boete aan
wilde vechten. Hij zag er weinig heil in. Het was algemeen bekend dat
Zuidelijke rechters Tzanatzi niet bevoorrechtten in hun
uitspraken. Maar het betekende wel dat een substantieel deel van zijn
verdiensten van de reis naar het Noorden verloren zouden gaan. Hij zou
zo snel mogelijk weer af moeten reizen om een deel van de schade terug
te verdienen. Het zou betekenen dat hij in de herfst zou moeten reizen,
terwijl de winter dreigde vanuit het Noorden, in plaats van op zijn
gemak de lente af te wachten op de oude hoeve.
Hij reisde een paar dagen later af, te paard,
en nam een stevige gebouwde pony mee die beladen was met koopwaar en
voorraden voor de reis. Roms ribben waren nog pijnlijk, maar de wonden
in z’n gezicht heelden al aardig.
De
eerste dagen van de reis verliepen rustig. De nachten waren nog warm,
dus sliep hij naast zijn paard, in elkaar gedoken in zijn deken. Toen de
lucht ’s nachts aangescherpt werd met een kilte die het einde van de
zomer deed vermoeden, besloot hij een plaats te zoeken om de nacht
binnen door te brengen.
De eerste herberg die hij onderweg tegen kwam
was het Krijsende Varken. Die had een slechte reputatie waar het
de maaltijden en de hygiëne betrof, maar het was een goede plek om een
reis te beginnen, want overnachtingen waren goedkoop en omdat de herberg
druk werd bezocht door zowel lokale gasten als reizigers vanuit het hele
koninkrijk, was het een goede plek om het plaatselijke nieuws te horen.
Hoewel het niet in Roms aard lag om te kletsen met stamgasten, was zijn
gezicht bekend bij de meeste mensen omdat hij dezelfde route wel vaker
gereisd had. Dus behandelden ze hem goed genoeg, hoewel ze wel beter
wisten dan te proberen hem zover te krijgen dat hij zich bij hen
voegde.
Het was beneden in de gelagkamer die avond,
terwijl Rom een nogal droge vleespastei wegspoelde met een mok bier, dat
hij gewaarschuwd werd om niet naar het Noorden te reizen. Er waren niet
zoveel mensen in de herberg als gebruikelijk was die tijd van het jaar,
en een grote, rossige, stevig gebouwde man, een reiziger van in de
veertig, was duidelijk op zoek naar wat gezelschap. Rom negeerde hem,
maar de man ging aan dezelfde tafel zitten, tegenover hem.
Omdat er geen andere mensen aan het eten waren
kon hij helaas niet blijven doen alsof de man er niet was zonder hem te
beledigen. Met het incident van de week ervoor
nog vers in het geheugen knikte hij stijfjes, en hoopte in stilte
dat de man afgeschrikt zou worden door zijn grimmige verschijning, de
paarsgele verkleuring onder z’n linkeroog, en de reeds genezende
wonden, duidelijke tekenen van een vechtpartij. De man leek zich er
echter niet aan te storen, en stelde zich voor als Yldich. Hij sprak met
een subtiel accent dat Rom nog nooit gehoord had.
Yldich leek zich ook niet te storen aan Roms
vrijwel eenlettergrepige antwoorden op zijn vragen waar hij vandaan kwam
(‘t Zuiden,’) en waar hij naartoe ging (‘t Noorden’), want hij
had genoeg verhalen van zichzelf om het gesprek van brandstof te
voorzien. Hij vertelde Rom over zijn reizen, en zijn thuis, zichtbaar
genietend van het vertellen en van de klank van zijn eigen stem. Ondanks
zijn neiging om zich afzijdig te houden, merkte Rom dat hij genoot van
de verhalen, en af en toe een aanmoedigend knikje gaf om ze op gang te
houden.
Yldich had de jongen die serveerde voor de
derde keer gewenkt om hun biermokken bij te vullen, toen hij zei:
‘Wel. Die zaken van jou, moet je daarvoor door het Woud van
Gardeth?’ Toen Rom hem scherp aankeek, met een vraag op zijn gezicht,
zei Yldich: ‘Dat dacht ik al. Heb je niet gehoord van de moeilijkheden
die de mensen daar hebben gehad?’
‘Ik ben een paar keer om het Woud heen
gereisd, omdat ik zaken te doen had aan de oostkust.’ Rom draaide
z’n mok om tussen z’n handen en fronste in z’n bier. ‘Ik ben nog
nooit helemaal door het Woud heen geweest.’
‘Als ik jou was zou ik er maar weer omheen
gaan,’ zei Yldich. Z’n grijze ogen vernauwden zich. ‘Ik ben er
deze keer amper levend doorheen gekomen. En ik ken het Woud goed. Er
spookt iets in het Woud, iets dat niet wil dat mensen erdoorheen
reizen.’ Hij zette z’n mok op tafel met een hoorbare bons, en leunde
achterover in zijn stoel.
‘Het begon een paar jaar geleden. Wel, de
Wouden zijn altijd gevaarlijk geweest voor de onvoorzichtige reiziger,
zeker in de winter. Bevroren takken die afvallen, paarden die op hol
slaan, touwen die bevriezen en breken, verraderlijke meren die
verschijnen waar ze eerst niet waren. Maar afgelopen winter werd het
echt erg.’ Hij leunde voorover over z’n mok, en staarde Rom recht in
het gezicht met ogen die de kleur hadden van ijs onder een betrokken
hemel.
‘Sommige
reizigers zijn verdwenen. Hun lichamen zijn aan de rand van het Woud
gevonden, stijf bevroren. Ze zagen eruit alsof ze in afgrijzen waren
gestorven.’
Hij nam nog een slok bier. ‘Nu, sommigen
zeggen dat de Wouden erger zijn geworden omdat ze ellende hebben
opgerakeld in de mijnen in het Zuiden. Een of ander evenwicht dat
verstoord zou zijn, iets met duistere geesten of weet ik niet wat.’
Hij schudde het hoofd en ging weer achterover zitten. ‘Ik ben maar een
simpele boer, ik weet niets van dat soort dingen. Maar let op mijn
woorden jongeman, wees voorzichtig, of beter nog, ga helemaal niet door
het Woud.’
Rom dacht bij zichzelf dat Yldich misschien wel
een boer was, maar wat hij ook was, simpel was hij zeker niet. Hij vroeg
zich af of er een bijzondere reden was waarom de man hem wilde
ontmoedigen om door Gardeth te reizen, behalve dan totale vreemden te
waarschuwen vanuit de goedheid van zijn hart. Maar hij kon er geen
bedenken.
‘Ik heb geen keus, ik moet wel door het
Woud,’ zei hij. ‘Het is al laat in het jaar, en ik kan het me niet
veroorloven nog meer tijd te verspillen.’ Yldich schudde afkeurend het
hoofd, en keek bezorgd, maar hij drong niet verder aan.
‘Wel, je moet doen wat je niet laten kunt,
jongen.’ Hij stond op en liet een klein stapeltje geldstukken achter
voor het bier. ‘Slaap wel.’
‘Goedenacht.’ Rom keek toe Yldich vertrok.
Hij bewoog zich opmerkelijk soepel voor een man met zijn zware postuur.
Terwijl Yldich nog even met de herbergier sprak
voor hij de trap op ging, staarde Rom diep in gedachten naar het
tafelblad. Misschien probeerde Yldich hem niet van de reis naar door
Gardeth af te brengen vanwege een bovennatuurlijk, maar vanwege een
natuurlijk gevaar. Rovers? Rebellen? Maar wat zou zijn motief zijn om
hem van de doortocht af te brengen? Rebellen zouden geen aanstoot nemen
aan een eenzame reiziger. Rovers zouden blij zijn met een makkelijke
prooi. Maar als de bossen een vrijhaven waren voor illegale
activiteiten, waarom zei Yldich dat dan niet gewoon? Waarom die
spookverhalen? Het was niet logisch. Tenzij Yldich het bijgelovige type
was, en dat leek hij niet, helemaal niet.
Toen hij eindelijk in bed lag ging hij zijn
voorraden nog eens na in zijn hoofd. Hij dacht aan het kleine maar
scherpe mes dat hij altijd bij zich droeg op reis. Het sneed door dikke
touwen, leer, boomwortels en dergelijke, maar het zou hem niet helpen
tegen rovers.
Ondanks
Yldichs waarschuwing besloot hij direct naar het Noorden te reizen,
dwars door het Woud en zo snel mogelijk er doorheen te gaan. Op die
manier kon hij misschien het ergste winterse weer voor zijn.
De volgende ochtend, na een snel ontbijt van
oud brood en hete soep, ging Rom naar buiten om z’n spullen op te
laden. Hij was net bezig met de pony en controleerde de touwen en het
leren harnas, toen hij een kort, weloverwogen kuchje achter zich hoorde.
Hij wendde zich snel om. Yldich stond zorgvuldig een paar passen achter
hem. Hij grijnsde door zijn korte roestige baard.
‘Een
goede morgen,’ riep hij. ‘Nog steeds vastbesloten om naar het
Noorden te gaan?’
’Ja’, zei Rom. Hij was benieuwd wat er komen ging.
‘Dat komt dan goed uit,’ zei Yldich. ‘Ik
heb besloten m’n familie in Hernicke op te zoeken. Het is net aan de
andere kant van het Woud. Ik zal je vergezellen.’
Rom
voelde zich bijzonder slecht op zijn gemak terwijl hij door de
zuidelijke zoom van het Woud van Gardeth trok met zijn nieuwe reisgezel.
Hij was het niet gewend gezelschap te hebben op reis. Sterker nog, hij
was helemaal niet gewend aan gezelschap van welke aard dan ook. Van
jongs af aan had hij zijn zaakjes altijd alleen geregeld.
Yldich leek zijn ongemak niet te delen. Hij
neuriede zacht, terwijl hij rondkeek met zijn heldere grijze ogen. Er
zat geen begin en geen einde aan de opgewekte wijsjes, het waren slechts
eindeloos meanderende tonen.
De oudere man kende het bos kennelijk goed. Op
zijn reizen naar het noordoosten had Rom altijd zorgvuldig de gebaande
paden gevolgd die door boeren en geitenhoeders werden gebruikt. Maar
Yldich had een route gekozen die de mannen recht door het Woud voerde,
en de bestaande paden en sporen links liet liggen. Hoe hij de weg wist
door de bomen, die er voor hem allemaal hetzelfde uit zagen, kon Rom
niet bepalen. Hij leek zijn weg zonder moeite te vinden door de beboste
lage heuvels.
De opgewektheid van het neuriën was in
contrast met de scherpe opmerkzaamheid waarmee Yldich zijn omgeving in
zich opnam. Keek hij uit naar tekenen van gevaar? Roms ogen flitsen
nerveus over het pad, maar hij kon niets ontdekken. De grond van het bos
was onberoerd.
Hij was ook bezorgd over Yldichs motieven om
met hem mee te reizen. Eerst wilde de man hem van de reis naar het
Noorden afbrengen, en toen had hij erop gestaan om mee te gaan. Op de
een of andere manier had Rom niet van hem af kunnen komen. Hij was net
een grote zwerfhond die hem volgde en die hij maar niet af kon schudden.
Zijn mond vertrok plots in een wrange grijns. Het was net andersom: hij
was degene die achter de hond aan liep.
Af en toe wees Yldich hem ergens op: een
hagedis die aan het zonnebaden was, bijna onzichtbaar tegen de
achtergrond vanwege zijn bizarre camouflage, een kleine groep herten in
de verte, die hun koppen in de nek wierpen om de ochtendlucht op te
snuiven, een prachtige wilde kat die geruisloos door het kreupelhout
sloop. Rom verwonderde zich over de overvloed van leven om hem heen. Die
was hem nooit zo opgevallen. Was het altijd al zo geweest maar had hij
het nooit gezien? In contrast met zijn stortvloed van woorden de avond
ervoor in het Krijsende Varken, was Yldich stil, met uitzondering
van het neuriën en een opmerking zo nu en dan.
Toen de zon wegzonk achter de hoge bomen,
stopten ze om een kamp op te slaan op een kleine open plek. Rom
verzamelde wat droog gras en twijgen voor een vuur. Hij had er moeite
mee het aan te krijgen. Yldich had de paarden verzorgd en was weggegaan,
waarschijnlijk om zijn behoefte te doen. Rom was lange tijd met het vuur
bezig, fronsend van concentratie. Het werd al donker.
Net toen de vonk erin sloeg en de vlammen
oplaaiden, hoorde hij het scherpe knappen van een twijgje achter zich.
Zonder nadenken gooide hij zichzelf naar voren en wentelde zich om over
de grond, zodat het vuur zich tussen hem en datgene dat achter hem was
bevond. Hij tastte naar het mes in zijn riem. Hij had het in zijn hand,
klaar om uit te halen, toen hij Yldich herkende, die achter hem stond
met een konijn in zijn riem. Yldich trok een wenkbrauw op bij het zien
van het scherpe mes dat op hem gericht was.
‘Heb ons avondeten gevangen,’ zei hij. Hij
ging zitten, en begon het konijn te villen met zijn eigen mes. Rom liet
zijn adem ontsnappen en stond langzaam op. Hij stopte het mes weg en
begon het vuur te voeden met kleine twijgjes. Af en toe wierp hij een
blik op Yldich. De man ontdeed het konijn handig van zijn zachte vel,
voorzichtig, om het niet te bederven. Zijn gezicht was uitdrukkingloos.
Toen het konijn ronddraaide op een zelfgemaakte
spit, vroeg Rom: ‘Hoe heb je het konijn gevangen?’ Yldich
grijnsde.
‘Ik heb hem geroepen.’
‘Wat?’ Rom knipperde met zijn ogen en keek
de man aan, alsof hij dacht dat hij het niet goed verstaan had.
‘Ik heb hem geroepen. Hij was gereed. Hij
kwam. Ik heb hem gevangen.’ Rom trok zijn wenkbrauwen op in
ongeloof.
‘Net zo makkelijk?’
‘Net zo makkelijk,’ zei Yldich zacht. ‘Ik
had hem liever niet van het leven beroofd,’ ging hij door. ‘Maar we
moeten zuinig zijn met de voorraden, we hebben nog een lange weg te
gaan. Er is slecht weer op komst.’
Rom staarde hem aan. De lucht was de hele dag
strakblauw geweest. Hij vroeg zich opnieuw af met wat voor soort man hij
op stap was. Was hij alleen maar excentriek, was hij gek, was hij
gevaarlijk? Zou hij vermoord worden in zijn slaap?
Toen ze klaar waren met eten, strekte
Yldich langzaam zijn zware ledematen en zuchtte. Hij schikte zijn deken
om zijn grote lijf, langzaam en met rustige bewegingen, alsof hij zich
bewust was van de achterdocht van de jongere man.
‘Ken je het verhaal van Konijn en de Koning
van de Elfen?’ Rom staarde hem aan door het vuur. Hij schudde zijn
hoofd.
‘Op
een dag was Konijn op de vlucht voor zijn vijanden. Hij baande zich een
weg door het Woud, opgejaagd door tanden, en nagels, en klauwen. Omdat
hij zichzelf niet kon verdedigen, kon hij niets anders doen dan rennen.
Het was de tijd van het tweeduister, die magische grens tussen dag en
nacht. Hij was nog steeds aan het rennen, en erg moe aan het worden toen
hij de grens bereikte van het land van de elfen.
Toevallig gaf de Elfenkoning zojuist een feest.
Alle wezens van het woud waren er: prachtige herten met geweien,
versierd met veldbloemen, veldmuizen met kleine juwelen achter hun
oortjes gestopt, en een heleboel elfen die het erg naar hun zin hadden.
‘Welkom,’
zei de Elfenkoning. Hij was het schitterendste wezen van allemaal. Zijn
jas was van juwelen vervaardigd en hij droeg een krans van delicaat
geurende nachtbloemen in zijn haar. Zijn ogen lichtten op als
pauwenveren. Hij keek Konijn aan, die nog steeds stond te hijgen omdat
hij dag en nacht door het bos was gejaagd. ‘Aangenaam, jongeman,’
zei hij, en liet een klein boertje ontsnappen, want hij was enigszins
aangeschoten van de vlierbessenwijn. ‘Kom, sluit je aan bij onze
feestelijkheden, en weet dat als je hart iets verlangt vannacht, en het
aan mij is om te geven, je het zult krijgen.’ Hij werd vrijgevig als
hij dronken was.
Konijn dacht even na. Hij was het goed zat om
achternagezeten te worden. Hij zei: ‘Uwe Heerlijkheid, als het niet
teveel moeite is...’
‘In het geheel niet,’ onderbrak de
Elfenkoning hem. ‘Zeg ons wat je zou willen ontvangen, en ik zal erop
toezien dat het zal geschieden.’
‘Ik zou veilig willen zijn, en buiten het
bereik van mijn vijanden,’ zei Konijn. ‘Ik zou een harnas willen, en
scherpe tanden om me mee te verdedigen, en scherpe nagels om m’n
vijanden mee te raken.’
‘Hè?’ zei de Koning, even afgeleid door
een aantrekkelijke elfendame die voorbij kwam. ‘Uitstekend,’ zei
hij. ‘Het zij zo!’ Hij wuifde met zijn hand, en sprak een geheime
spreuk. En in een oogwenk was Konijn getransformeerd.
Hij voelde het onmiddellijk. Zo was hij
bijvoorbeeld veel rijziger dan hij geweest was. Hij was tevens zwaarder.
Zijn huid was bedekt met dikke schubben, van het topje van zijn neus tot
het puntje van zijn staart. Zijn nagels waren uitgegroeid tot klauwen
als kleine zwaarden, en ze waren zeer scherp. Zijn tandjes waren nu zo
lang als slagtanden. Konijn was zeer tevreden.
‘Nu zal niemand me ooit nog lastig vallen,’
dacht hij. ‘Nu zal ik veilig zijn.’ Hij bedankte de Elfenkoning
uitvoerig en vervolgde zijn weg.
Hij voelde zich groot en sterk, terwijl hij met
grote passen door het Woud ging. Een grote boskat had zijn geur tot aan
de grens van het land van de woudelfen gevolgd. Toen Konijn het
elfenland verliet, pikte ze zijn spoor weer op.
‘Aha,’ dacht ze bij zichzelf, ‘daar heb
je die konijnengeur weer. Dat wordt smullen vanavond,’ en toen botste
ze tegen Konijns getransformeerde zelf op. Ze sperde haar grote gele
ogen wijd open, krijste schel, en haar haar rees overeind. Ze keerde
Konijn zo snel als ze kon haar staart toe. Hij was drie keer zo groot
als hij geweest was. En dat was het laatste wat hij van haar zag.
Konijn was zeer ingenomen met het effect van
zijn transformatie. Hij wandelde op zijn gemak naar huis. Hij nam de
tijd, want wie kon hem nu nog deren? Hij neuriede terwijl hij het hol
naderde waar hij woonde met zijn vrouw en kinderen.
‘Ik ben thuis, schat,’ zong hij, maar er
was iets vreemds aan zijn stem. ‘Ligt zeker aan mijn verbeterde
omvang,’ dacht Konijn. Mevrouw Konijn kwam naar buiten, met de
konijnenkindertjes in haar kielzog. Hun ogen werden groot als
schoteltjes toen ze Konijn daar zagen staan, met zijn schubben, zijn
slagtanden, en zijn klauwen. ‘Daar ben ik weer, liefste,’ begon
Konijn. ‘En je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt,’ maar voordat
hij zijn zin af kon maken, mepte mevrouw Konijn hem op het hoofd met een
grote stok.
‘Scheer je weg, monster!’ Mevrouw Konijn
deed haar best om hem met de stok de hersens in te slaan.
‘Nee, wacht, ik ben het, laat het me
uitleggen!’ Konijn probeerde zijn hoofd te beschermen tegen de
klinkende klappen. Mevrouw Konijn kon goed mikken. Maar de woorden
kwamen er vervormd uit langs de zware tanden die zijn mond nu bezetten,
en hij herkende zijn eigen stem niet.
‘Wegwezen,’ riep mevrouw Konijn, en na nog
een pijnlijke klap ging Konijn er vandoor.
Hij liep door het bos en voelde zich ellendig
en alleen. Na een tijdje begon hij honger te krijgen. Hij dacht: ‘Ik
voel me vast beter als ik een hapje gegeten heb. Dan ga ik terug naar
m’n vrouw, en leg het allemaal uit,’ en hij ging op zoek naar iets
te eten. Hij probeerde aan het gras te knabbelen, maar zijn slagtanden
zaten hem in de weg. Hij probeerde wat wortels uit te graven, maar hij
deed zichzelf pijn met zijn lange, scherpe nagels. Hij deed lange tijd
zijn best iets eetbaars te vinden, maar het wilde niet lukken. Na enige
tijd begon hij dorstig te worden.
‘Ik zal eerst maar ’s wat water drinken,’
zei hij tegen zichzelf, en ging naar een klein meertje in het bos. Hij
was moe, en zo hongerig, dat hij op de grond neerviel terwijl hij zijn
hoofd naar het water bracht. Maar hij was niet gewend aan de zware massa
van zijn gepantserde lijf, en hij kukelde voorover, het water in.
Konijn lag in het water, en hij kon niet
zwemmen, althans niet met de lange nagels en de zware schubben aan zijn
lijf...dus zonk hij, en het water sloot zich boven zijn hoofd, en dat
was het einde van Konijn en de gift van de Elfenkoning.’
Toen Yldich klaar was met vertellen, viel hij
stil.
‘Dus…wat betekent het verhaal?’ zei Rom.
‘Betekenen? Wel, bij mijn volk wordt het aan
de luisteraar overgelaten om te bepalen wat een verhaal betekent.’
Yldich grinnikte zacht. Rom staarde fronsend in de gloed van het
stervende vuur. Hij hield niet van raadsels. Hij wilde Yldich net een
volgende vraag stellen, toen hij een zacht, ronkend geluid hoorde. De
man was vast in slaap.
De volgende ochtend werd Rom met een schok
wakker. De zon was zeker al een paar uur op. Ondanks zijn voornemen om
voorzichtig te zijn en een oogje op zijn metgezel te houden, had hij de
hele nacht diep geslapen, zonder één keer wakker te worden. Hij
vervloekte zichzelf zachtjes en keek rond. Yldich en de paarden waren
nergens te bekennen.
|