Home
Het verhaal
Passage
De volkeren
Kunst
Over Wendy
Recensies
Verkrijgbaarheid

Links


De vloek van de


Tahiéra




Passage






               

over Wendy 

e-mail 

PROLOOG

     Een geladen stilte hing over de vlakte. Ze kwamen met het vallen van het duister. Hun slanke zwaarden glommen in het bleke licht van de maan. Aan de andere zijde van de vlakte klemden jonge, ongeoefende handen zich om hun zwaarden, en hielden oude mannen hun adem in. Een duistere gruwel kronkelde over het slagveld en smoorde alles wat het op zijn pad vond.
     Een donkere gestalte stond op de top van de klif. De wind tilde zijn haar op en deed het om zijn hoofd zweven alsof het een eigen leven bezat. Hij rechtte zijn rug en trok zijn zwaard. Zijn stem was een fluistering.
     Nu.

HOOFDSTUK EEN 
Een reis naar het Noorden

Rom ontmoette Yldich toen hij bijna twintig jaar oud was. Hij was een slanke jonge man, met haar dat de kleur van kraaienveren had, en ogen die bijna even donker waren. Zijn temperament had wel wat weg van een ondergrondse bosbrand. Zijn woede kon lang smeulen en hem van binnenuit verteren zonder dat iemand het merkte, maar een welgemikte vonk en voldoende brandstof konden deze laten ontvlammen en laten oplaaien als een vreugdevuur.
     Op een leeftijd waarop de meeste jonge mannen al geworteld waren en hun aandacht besteedden aan hun velden en hun hoeves, terwijl hun jonge echtgenoten hun baby’s opvoedden, reisde Rom alleen door het land, en verkocht goederen. In de lente reisde hij naar het verre Noordoosten, en verkocht kostbare verfstoffen, specerijen, borduurzijde, zilveren naalden, knopen van parelmoer, zeezout, brandewijn, en andere zaken die zeldzaam waren bij de mensen in het Noorden. In de herfst reisde hij terug naar het Zuiden, naar de oude hoeve, om weer nieuwe goederen af te nemen van de lokale boerderijen om de volgende lente te verkopen.
     Toen de mensen van het dorp zeiden dat Rom maar eens op de hoeve moest blijven en trouwen als iedere respectabele jongeman van zijn leeftijd, negeerde hij hen. Toen de mensen zeiden dat hij een rare was, altijd al geweest, en dat er nooit iets goeds van hem zou komen, negeerde hij dat ook. Toen een reizende landknecht die op een avond nogal veel van het sterke plaatselijke bier had gedronken in de herberg naar hem verwees als ‘die duistere Tzanatzi in de hoek daar,’ negeerde hij het niet, en de man eindigde met een gebroken neus en een tand uit zijn mond. Rom eindigde in de dorpscel. Er waren twee stadswachters en een vertoornde herbergier voor nodig geweest om hem eronder te krijgen.

     Toen de alcohol en de gevolgen van een grondig pak slaag waren uitgewerkt en hij weer bij bewustzijn was gekomen, kwam hij erachter dat hij zich in een nogal ongemakkelijke positie bevond. Niet alleen vroegen verschillende kwetsuren pijnlijk om zijn aandacht, maar hij moest ook de middelen zien te vinden om zowel de boete te betalen voor het vechten in een openbare gelegenheid, als voor de meubels en andere spullen waarvan de herbergier beweerde dat ze beschadigd waren tijdens het gevecht. De lijst omvatte onder meer drie stoelen, een tafel, tien flessen wijn, twee flessen brandewijn, een vat bier, de tuniek van de landknecht en een assortiment andere zaken waarvan Rom zich niet kon herinneren dat hij ze had gebroken. Maar hij was dan ook aardig dronken geweest. 
     Afgezien daarvan, zou hij zich tot het Hof moeten wenden als hij de boete aan wilde vechten. Hij zag er weinig heil in. Het was algemeen bekend dat Zuidelijke rechters Tzanatzi niet bevoorrechtten in hun uitspraken. Maar het betekende wel dat een substantieel deel van zijn verdiensten van de reis naar het Noorden verloren zouden gaan. Hij zou zo snel mogelijk weer af moeten reizen om een deel van de schade terug te verdienen. Het zou betekenen dat hij in de herfst zou moeten reizen, terwijl de winter dreigde vanuit het Noorden, in plaats van op zijn gemak de lente af te wachten op de oude hoeve.
     Hij reisde een paar dagen later af, te paard, en nam een stevige gebouwde pony mee die beladen was met koopwaar en voorraden voor de reis. Roms ribben waren nog pijnlijk, maar de wonden in z’n gezicht heelden al aardig.
     
     De eerste dagen van de reis verliepen rustig. De nachten waren nog warm, dus sliep hij naast zijn paard, in elkaar gedoken in zijn deken. Toen de lucht ’s nachts aangescherpt werd met een kilte die het einde van de zomer deed vermoeden, besloot hij een plaats te zoeken om de nacht binnen door te brengen.  
     De eerste herberg die hij onderweg tegen kwam was het Krijsende Varken. Die had een slechte reputatie waar het de maaltijden en de hygiëne betrof, maar het was een goede plek om een reis te beginnen, want overnachtingen waren goedkoop en omdat de herberg druk werd bezocht door zowel lokale gasten als reizigers vanuit het hele koninkrijk, was het een goede plek om het plaatselijke nieuws te horen. Hoewel het niet in Roms aard lag om te kletsen met stamgasten, was zijn gezicht bekend bij de meeste mensen omdat hij dezelfde route wel vaker gereisd had. Dus behandelden ze hem goed genoeg, hoewel ze wel beter wisten dan te proberen hem zover te krijgen dat hij zich bij hen voegde. 
     Het was beneden in de gelagkamer die avond, terwijl Rom een nogal droge vleespastei wegspoelde met een mok bier, dat hij gewaarschuwd werd om niet naar het Noorden te reizen. Er waren niet zoveel mensen in de herberg als gebruikelijk was die tijd van het jaar, en een grote, rossige, stevig gebouwde man, een reiziger van in de veertig, was duidelijk op zoek naar wat gezelschap. Rom negeerde hem, maar de man ging aan dezelfde tafel zitten, tegenover hem.
     Omdat er geen andere mensen aan het eten waren kon hij helaas niet blijven doen alsof de man er niet was zonder hem te beledigen. Met het incident van de week ervoor  nog vers in het geheugen knikte hij stijfjes, en hoopte in stilte dat de man afgeschrikt zou worden door zijn grimmige verschijning, de paarsgele verkleuring onder z’n linkeroog, en de reeds genezende wonden, duidelijke tekenen van een vechtpartij. De man leek zich er echter niet aan te storen, en stelde zich voor als Yldich. Hij sprak met een subtiel accent dat Rom nog nooit gehoord had.
     Yldich leek zich ook niet te storen aan Roms vrijwel eenlettergrepige antwoorden op zijn vragen waar hij vandaan kwam (‘t Zuiden,’) en waar hij naartoe ging (‘t Noorden’), want hij had genoeg verhalen van zichzelf om het gesprek van brandstof te voorzien. Hij vertelde Rom over zijn reizen, en zijn thuis, zichtbaar genietend van het vertellen en van de klank van zijn eigen stem. Ondanks zijn neiging om zich afzijdig te houden, merkte Rom dat hij genoot van de verhalen, en af en toe een aanmoedigend knikje gaf om ze op gang te houden.

     Yldich had de jongen die serveerde voor de derde keer gewenkt om hun biermokken bij te vullen, toen hij zei: ‘Wel. Die zaken van jou, moet je daarvoor door het Woud van Gardeth?’ Toen Rom hem scherp aankeek, met een vraag op zijn gezicht, zei Yldich: ‘Dat dacht ik al. Heb je niet gehoord van de moeilijkheden die de mensen daar hebben gehad?’
     ‘Ik ben een paar keer om het Woud heen gereisd, omdat ik zaken te doen had aan de oostkust.’ Rom draaide z’n mok om tussen z’n handen en fronste in z’n bier. ‘Ik ben nog nooit helemaal door het Woud heen geweest.’
     ‘Als ik jou was zou ik er maar weer omheen gaan,’ zei Yldich. Z’n grijze ogen vernauwden zich. ‘Ik ben er deze keer amper levend doorheen gekomen. En ik ken het Woud goed. Er spookt iets in het Woud, iets dat niet wil dat mensen erdoorheen reizen.’ Hij zette z’n mok op tafel met een hoorbare bons, en leunde achterover in zijn stoel. 
     ‘Het begon een paar jaar geleden. Wel, de Wouden zijn altijd gevaarlijk geweest voor de onvoorzichtige reiziger, zeker in de winter. Bevroren takken die afvallen, paarden die op hol slaan, touwen die bevriezen en breken, verraderlijke meren die verschijnen waar ze eerst niet waren. Maar afgelopen winter werd het echt erg.’ Hij leunde voorover over z’n mok, en staarde Rom recht in het gezicht met ogen die de kleur hadden van ijs onder een betrokken hemel. 
     ‘Sommige reizigers zijn verdwenen. Hun lichamen zijn aan de rand van het Woud gevonden, stijf bevroren. Ze zagen eruit alsof ze in afgrijzen waren gestorven.’
 
     Hij nam nog een slok bier. ‘Nu, sommigen zeggen dat de Wouden erger zijn geworden omdat ze ellende hebben opgerakeld in de mijnen in het Zuiden. Een of ander evenwicht dat verstoord zou zijn, iets met duistere geesten of weet ik niet wat.’ Hij schudde het hoofd en ging weer achterover zitten. ‘Ik ben maar een simpele boer, ik weet niets van dat soort dingen. Maar let op mijn woorden jongeman, wees voorzichtig, of beter nog, ga helemaal niet door het Woud.’
     Rom dacht bij zichzelf dat Yldich misschien wel een boer was, maar wat hij ook was, simpel was hij zeker niet. Hij vroeg zich af of er een bijzondere reden was waarom de man hem wilde ontmoedigen om door Gardeth te reizen, behalve dan totale vreemden te waarschuwen vanuit de goedheid van zijn hart. Maar hij kon er geen bedenken.
     ‘Ik heb geen keus, ik moet wel door het Woud,’ zei hij. ‘Het is al laat in het jaar, en ik kan het me niet veroorloven nog meer tijd te verspillen.’ Yldich schudde afkeurend het hoofd, en keek bezorgd, maar hij drong niet verder aan.
     ‘Wel, je moet doen wat je niet laten kunt, jongen.’ Hij stond op en liet een klein stapeltje geldstukken achter voor het bier. ‘Slaap wel.’
     ‘Goedenacht.’ Rom keek toe Yldich vertrok. Hij bewoog zich opmerkelijk soepel voor een man met zijn zware postuur.
     Terwijl Yldich nog even met de herbergier sprak voor hij de trap op ging, staarde Rom diep in gedachten naar het tafelblad. Misschien probeerde Yldich hem niet van de reis naar door Gardeth af te brengen vanwege een bovennatuurlijk, maar vanwege een natuurlijk gevaar. Rovers? Rebellen? Maar wat zou zijn motief zijn om hem van de doortocht af te brengen? Rebellen zouden geen aanstoot nemen aan een eenzame reiziger. Rovers zouden blij zijn met een makkelijke prooi. Maar als de bossen een vrijhaven waren voor illegale activiteiten, waarom zei Yldich dat dan niet gewoon? Waarom die spookverhalen? Het was niet logisch. Tenzij Yldich het bijgelovige type was, en dat leek hij niet, helemaal niet.
     Toen hij eindelijk in bed lag ging hij zijn voorraden nog eens na in zijn hoofd. Hij dacht aan het kleine maar scherpe mes dat hij altijd bij zich droeg op reis. Het sneed door dikke touwen, leer, boomwortels en dergelijke, maar het zou hem niet helpen tegen rovers.
    
Ondanks Yldichs waarschuwing besloot hij direct naar het Noorden te reizen, dwars door het Woud en zo snel mogelijk er doorheen te gaan. Op die manier kon hij misschien het ergste winterse weer voor zijn. 

     De volgende ochtend, na een snel ontbijt van oud brood en hete soep, ging Rom naar buiten om z’n spullen op te laden. Hij was net bezig met de pony en controleerde de touwen en het leren harnas, toen hij een kort, weloverwogen kuchje achter zich hoorde. Hij wendde zich snel om. Yldich stond zorgvuldig een paar passen achter hem. Hij grijnsde door zijn korte roestige baard.
     ‘Een goede morgen,’ riep hij. ‘Nog steeds vastbesloten om naar het Noorden te gaan?’
     ’Ja’, zei Rom. Hij was benieuwd wat er komen ging.
     ‘Dat komt dan goed uit,’ zei Yldich. ‘Ik heb besloten m’n familie in Hernicke op te zoeken. Het is net aan de andere kant van het Woud. Ik zal je vergezellen.’
 

     Rom voelde zich bijzonder slecht op zijn gemak terwijl hij door de zuidelijke zoom van het Woud van Gardeth trok met zijn nieuwe reisgezel. Hij was het niet gewend gezelschap te hebben op reis. Sterker nog, hij was helemaal niet gewend aan gezelschap van welke aard dan ook. Van jongs af aan had hij zijn zaakjes altijd alleen geregeld.
     Yldich leek zijn ongemak niet te delen. Hij neuriede zacht, terwijl hij rondkeek met zijn heldere grijze ogen. Er zat geen begin en geen einde aan de opgewekte wijsjes, het waren slechts eindeloos meanderende tonen.
     De oudere man kende het bos kennelijk goed. Op zijn reizen naar het noordoosten had Rom altijd zorgvuldig de gebaande paden gevolgd die door boeren en geitenhoeders werden gebruikt. Maar Yldich had een route gekozen die de mannen recht door het Woud voerde, en de bestaande paden en sporen links liet liggen. Hoe hij de weg wist door de bomen, die er voor hem allemaal hetzelfde uit zagen, kon Rom niet bepalen. Hij leek zijn weg zonder moeite te vinden door de beboste lage heuvels.
     De opgewektheid van het neuriën was in contrast met de scherpe opmerkzaamheid waarmee Yldich zijn omgeving in zich opnam. Keek hij uit naar tekenen van gevaar? Roms ogen flitsen nerveus over het pad, maar hij kon niets ontdekken. De grond van het bos was onberoerd.
     Hij was ook bezorgd over Yldichs motieven om met hem mee te reizen. Eerst wilde de man hem van de reis naar het Noorden afbrengen, en toen had hij erop gestaan om mee te gaan. Op de een of andere manier had Rom niet van hem af kunnen komen. Hij was net een grote zwerfhond die hem volgde en die hij maar niet af kon schudden. Zijn mond vertrok plots in een wrange grijns. Het was net andersom: hij was degene die achter de hond aan liep.
     Af en toe wees Yldich hem ergens op: een hagedis die aan het zonnebaden was, bijna onzichtbaar tegen de achtergrond vanwege zijn bizarre camouflage, een kleine groep herten in de verte, die hun koppen in de nek wierpen om de ochtendlucht op te snuiven, een prachtige wilde kat die geruisloos door het kreupelhout sloop. Rom verwonderde zich over de overvloed van leven om hem heen. Die was hem nooit zo opgevallen. Was het altijd al zo geweest maar had hij het nooit gezien? In contrast met zijn stortvloed van woorden de avond ervoor in het Krijsende Varken, was Yldich stil, met uitzondering van het neuriën en een opmerking zo nu en dan.

     Toen de zon wegzonk achter de hoge bomen, stopten ze om een kamp op te slaan op een kleine open plek. Rom verzamelde wat droog gras en twijgen voor een vuur. Hij had er moeite mee het aan te krijgen. Yldich had de paarden verzorgd en was weggegaan, waarschijnlijk om zijn behoefte te doen. Rom was lange tijd met het vuur bezig, fronsend van concentratie. Het werd al donker. 
     Net toen de vonk erin sloeg en de vlammen oplaaiden, hoorde hij het scherpe knappen van een twijgje achter zich. Zonder nadenken gooide hij zichzelf naar voren en wentelde zich om over de grond, zodat het vuur zich tussen hem en datgene dat achter hem was bevond. Hij tastte naar het mes in zijn riem. Hij had het in zijn hand, klaar om uit te halen, toen hij Yldich herkende, die achter hem stond met een konijn in zijn riem. Yldich trok een wenkbrauw op bij het zien van het scherpe mes dat op hem gericht was.
     ‘Heb ons avondeten gevangen,’ zei hij. Hij ging zitten, en begon het konijn te villen met zijn eigen mes. Rom liet zijn adem ontsnappen en stond langzaam op. Hij stopte het mes weg en begon het vuur te voeden met kleine twijgjes. Af en toe wierp hij een blik op Yldich. De man ontdeed het konijn handig van zijn zachte vel, voorzichtig, om het niet te bederven. Zijn gezicht was uitdrukkingloos.
     Toen het konijn ronddraaide op een zelfgemaakte spit, vroeg Rom: ‘Hoe heb je het konijn gevangen?’ Yldich grijnsde. 
     ‘Ik heb hem geroepen.’
     ‘Wat?’ Rom knipperde met zijn ogen en keek de man aan, alsof hij dacht dat hij het niet goed verstaan had.
     ‘Ik heb hem geroepen. Hij was gereed. Hij kwam. Ik heb hem gevangen.’ Rom trok zijn wenkbrauwen op in ongeloof. 
     ‘Net zo makkelijk?’
     ‘Net zo makkelijk,’ zei Yldich zacht. ‘Ik had hem liever niet van het leven beroofd,’ ging hij door. ‘Maar we moeten zuinig zijn met de voorraden, we hebben nog een lange weg te gaan. Er is slecht weer op komst.’ 
     Rom staarde hem aan. De lucht was de hele dag strakblauw geweest. Hij vroeg zich opnieuw af met wat voor soort man hij op stap was. Was hij alleen maar excentriek, was hij gek, was hij gevaarlijk? Zou hij vermoord worden in zijn slaap?
      Toen ze klaar waren met eten, strekte Yldich langzaam zijn zware ledematen en zuchtte. Hij schikte zijn deken om zijn grote lijf, langzaam en met rustige bewegingen, alsof hij zich bewust was van de achterdocht van de jongere man. 
     ‘Ken je het verhaal van Konijn en de Koning van de Elfen?’ Rom staarde hem aan door het vuur. Hij schudde zijn hoofd.

     ‘Op een dag was Konijn op de vlucht voor zijn vijanden. Hij baande zich een weg door het Woud, opgejaagd door tanden, en nagels, en klauwen. Omdat hij zichzelf niet kon verdedigen, kon hij niets anders doen dan rennen. Het was de tijd van het tweeduister, die magische grens tussen dag en nacht. Hij was nog steeds aan het rennen, en erg moe aan het worden toen hij de grens bereikte van het land van de elfen.
     Toevallig gaf de Elfenkoning zojuist een feest. Alle wezens van het woud waren er: prachtige herten met geweien, versierd met veldbloemen, veldmuizen met kleine juwelen achter hun oortjes gestopt, en een heleboel elfen die het erg naar hun zin hadden.
     ‘Welkom,’ zei de Elfenkoning. Hij was het schitterendste wezen van allemaal. Zijn jas was van juwelen vervaardigd en hij droeg een krans van delicaat geurende nachtbloemen in zijn haar. Zijn ogen lichtten op als pauwenveren. Hij keek Konijn aan, die nog steeds stond te hijgen omdat hij dag en nacht door het bos was gejaagd. ‘Aangenaam, jongeman,’ zei hij, en liet een klein boertje ontsnappen, want hij was enigszins aangeschoten van de vlierbessenwijn. ‘Kom, sluit je aan bij onze feestelijkheden, en weet dat als je hart iets verlangt vannacht, en het aan mij is om te geven, je het zult krijgen.’ Hij werd vrijgevig als hij dronken was.
     Konijn dacht even na. Hij was het goed zat om achternagezeten te worden. Hij zei: ‘Uwe Heerlijkheid, als het niet teveel moeite is...’
     ‘In het geheel niet,’ onderbrak de Elfenkoning hem. ‘Zeg ons wat je zou willen ontvangen, en ik zal erop toezien dat het zal geschieden.’
     ‘Ik zou veilig willen zijn, en buiten het bereik van mijn vijanden,’ zei Konijn. ‘Ik zou een harnas willen, en scherpe tanden om me mee te verdedigen, en scherpe nagels om m’n vijanden mee te raken.’
     ‘Hè?’ zei de Koning, even afgeleid door een aantrekkelijke elfendame die voorbij kwam. ‘Uitstekend,’ zei hij. ‘Het zij zo!’ Hij wuifde met zijn hand, en sprak een geheime spreuk. En in een oogwenk was Konijn getransformeerd. 
     Hij voelde het onmiddellijk. Zo was hij bijvoorbeeld veel rijziger dan hij geweest was. Hij was tevens zwaarder. Zijn huid was bedekt met dikke schubben, van het topje van zijn neus tot het puntje van zijn staart. Zijn nagels waren uitgegroeid tot klauwen als kleine zwaarden, en ze waren zeer scherp. Zijn tandjes waren nu zo lang als slagtanden. Konijn was zeer tevreden.
     ‘Nu zal niemand me ooit nog lastig vallen,’ dacht hij. ‘Nu zal ik veilig zijn.’ Hij bedankte de Elfenkoning uitvoerig en vervolgde zijn weg.
     Hij voelde zich groot en sterk, terwijl hij met grote passen door het Woud ging. Een grote boskat had zijn geur tot aan de grens van het land van de woudelfen gevolgd. Toen Konijn het elfenland verliet, pikte ze zijn spoor weer op.
     ‘Aha,’ dacht ze bij zichzelf, ‘daar heb je die konijnengeur weer. Dat wordt smullen vanavond,’ en toen botste ze tegen Konijns getransformeerde zelf op. Ze sperde haar grote gele ogen wijd open, krijste schel, en haar haar rees overeind. Ze keerde Konijn zo snel als ze kon haar staart toe. Hij was drie keer zo groot als hij geweest was. En dat was het laatste wat hij van haar zag.
     Konijn was zeer ingenomen met het effect van zijn transformatie. Hij wandelde op zijn gemak naar huis. Hij nam de tijd, want wie kon hem nu nog deren? Hij neuriede terwijl hij het hol naderde waar hij woonde met zijn vrouw en kinderen.
     ‘Ik ben thuis, schat,’ zong hij, maar er was iets vreemds aan zijn stem. ‘Ligt zeker aan mijn verbeterde omvang,’ dacht Konijn. Mevrouw Konijn kwam naar buiten, met de konijnenkindertjes in haar kielzog. Hun ogen werden groot als schoteltjes toen ze Konijn daar zagen staan, met zijn schubben, zijn slagtanden, en zijn klauwen. ‘Daar ben ik weer, liefste,’ begon Konijn. ‘En je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt,’ maar voordat hij zijn zin af kon maken, mepte mevrouw Konijn hem op het hoofd met een grote stok.
     ‘Scheer je weg, monster!’ Mevrouw Konijn deed haar best om hem met de stok de hersens in te slaan.
     ‘Nee, wacht, ik ben het, laat het me uitleggen!’ Konijn probeerde zijn hoofd te beschermen tegen de klinkende klappen. Mevrouw Konijn kon goed mikken. Maar de woorden kwamen er vervormd uit langs de zware tanden die zijn mond nu bezetten, en hij herkende zijn eigen stem niet.
     ‘Wegwezen,’ riep mevrouw Konijn, en na nog een pijnlijke klap ging Konijn er vandoor.
     Hij liep door het bos en voelde zich ellendig en alleen. Na een tijdje begon hij honger te krijgen. Hij dacht: ‘Ik voel me vast beter als ik een hapje gegeten heb. Dan ga ik terug naar m’n vrouw, en leg het allemaal uit,’ en hij ging op zoek naar iets te eten. Hij probeerde aan het gras te knabbelen, maar zijn slagtanden zaten hem in de weg. Hij probeerde wat wortels uit te graven, maar hij deed zichzelf pijn met zijn lange, scherpe nagels. Hij deed lange tijd zijn best iets eetbaars te vinden, maar het wilde niet lukken. Na enige tijd begon hij dorstig te worden. 
     ‘Ik zal eerst maar ’s wat water drinken,’ zei hij tegen zichzelf, en ging naar een klein meertje in het bos. Hij was moe, en zo hongerig, dat hij op de grond neerviel terwijl hij zijn hoofd naar het water bracht. Maar hij was niet gewend aan de zware massa van zijn gepantserde lijf, en hij kukelde voorover, het water in.
     Konijn lag in het water, en hij kon niet zwemmen, althans niet met de lange nagels en de zware schubben aan zijn lijf...dus zonk hij, en het water sloot zich boven zijn hoofd, en dat was het einde van Konijn en de gift van de Elfenkoning.’

     Toen Yldich klaar was met vertellen, viel hij stil.
     ‘Dus…wat betekent het verhaal?’ zei Rom.
     ‘Betekenen? Wel, bij mijn volk wordt het aan de luisteraar overgelaten om te bepalen wat een verhaal betekent.’ Yldich grinnikte zacht. Rom staarde fronsend in de gloed van het stervende vuur. Hij hield niet van raadsels. Hij wilde Yldich net een volgende vraag stellen, toen hij een zacht, ronkend geluid hoorde. De man was vast in slaap. 

     De volgende ochtend werd Rom met een schok wakker. De zon was zeker al een paar uur op. Ondanks zijn voornemen om voorzichtig te zijn en een oogje op zijn metgezel te houden, had hij de hele nacht diep geslapen, zonder één keer wakker te worden. Hij vervloekte zichzelf zachtjes en keek rond. Yldich en de paarden waren nergens te bekennen.
 

                      

 update: 12 mei 2008

© Wendy Gillissen, 2007
Het materiaal op deze site is onderhevig aan copyright  en mag niet zonder toestemming overgenomen worden.